Hoe kan de tijdschriftjournalistiek inspelen op de online journalistiek?

Wanneer we naar een probleem kijken om een oplossing te bedenken, in welk werkveld dan ook, is het van belang dat we in eerste instantie kijken naar dat wat er al is gebeurd. We moeten dus kijken naar de geschiedenis. Via die geschiedenis en bijbehorende literatuur kunnen duidelijk het huidige beeld observeren dat bestaat over een bepaald probleem, om vanuit daar een oplossing te bedenken.
Dat geldt dus ook voor het dilemma hoe de tijdschriftjournalistiek kan inspelen op de online journalistiek.

Dit dilemma wordt geschreven door een afstuderend student journalistiek. Wanneer het dus gaat over ‘we’ gaat het om wij, de journalisten. Dit betekent dat dit wordt geschreven vanuit journalistiek oogpunt en daardoor enige kleuring heeft. De bijbehorende literatuur is geschreven door journalistieke experts, waardoor ook hier enige kleuring optreedt. Door een kritische reflectie naderhand zal hopelijk de grootste kleuring vermeden waardoor de lezer, journalist of niet, zijn eigen mening kan blijven vormen.

Bij het benaderen van dit dilemma zal ik in eerste instantie de verschillende definities uitleggen die van belang zijn bij het beantwoorden van deze vraag. Dan zal ik uit de doeken doen wat deze journalistieke genres precies inhouden. Hierna zal ik ingaan op de veranderingen in de journalistiek en hoe journalisten hiermee omgaan.
Uiteindelijk zal er een reflectie volgen op welke vlakken de tijdschriftjournalistiek kan inspringen wat betreft de online journalistiek. Een conclusie kan niet uitblijven.

Voorwoord

Tijdens mijn opleiding journalistiek heb ik door de jaren heen twee specialisaties ontwikkeld. De eerste was mijn mediumkeuze tijdschrift. Een indrukwekkend medium met een diverse geschiedenis, een groot publiek en allerhande doelgroepen. Een medium waar ik een passie voor heb ontwikkeld.
Hierna ben ik geïnteresseerd geraakt in de sociale media en daarmee ook de online journalistiek. In een wereld die constant verandert is het internet hiervan de grootste bron. Via het internet staat men in contact met de hele wereld, kan men een popster zijn voor een dag om de volgende dag vergeten te zijn.
Hoewel vele journalisten bang waren dat de huidige journalistiek compleet zou verdwijnen door de komst van de online journalistiek, is dit niet gebeurd. De journalistiek is veranderd. Persoonlijk denk ik dat het van belang is dat journalisten deze verandering als positief ervaren, om via het internet hun eigen medium versterken.

Door eigen ervaring heb ik gezien hoe gemakkelijk het is om nieuwe lezers te enthousiasmeren voor het medium tijdschrift en hoe gemakkelijk het is om in direct contact te staan met lezers en redactie. Dit moet dan ook benut worden wat mij betreft. Dit is dan ook de reden dat ik ervoor gekozen heb om deze twee soorten van journalistiek in dit dilemma tegenover, maar vooral naast elkaar te zetten.

De journalistieke literatuur helpt mij hier om dit dilemma te doorgronden. Wanneer ik echter niet quote, zijn het mijn persoonlijke opvattingen of reflectie op het vak waar ik al vijf jaar met veel plezier in werk.

De definities

Zoals ik in mijn inleiding zei, is het van belang om in eerste instantie de definities van dit dilemma helder te krijgen. Dit is omdat de meeste termen zo vaak in het dagelijks leven worden gebruikt, dat de echte betekenissen verloren lijken te gaan. Wij als journalisten zijn daar misschien wel de grootste boosdoener van. Wanneer we dus weten wáár het precies over gaat, is het gemakkelijker om dit dilemma te doorgronden.

Wie is de Nederlandse journalist?
Mark Deuze, journalist en communicatiewetenschapper, promoveerde in 2002 op het vraagstuk ‘Journalists in the Netherlands. An analysis of the people, the issues and the (inter) national environment’. In zijn boek Wat is journalistiek omschrijft hij de Nederlandse journalist als volgt:
“De Nederlandse journalist stelt zich wat terughoudender op en neemt eerder ‘het publiek’(in plaats van overheid of industrie) als ijkpunt voor journalistiek handelen. (…) Hoewel de Nederlandse journalist zeker graag de straat op wil om mensen te ontmoeten (gezien een sterke oriëntatie wat betreft nieuwswaarde- en selectie op ‘het publiek), komt er in de praktijk niet zoveel van; zeker sinds de toenemende technologisering van het vak en de economische ontwikkeling van de media tot een massamarkt (…) wordt in de journalistiek de meeste tijd doorgebracht op het kantoor. De Nederlandse journalist communiceert nauwelijks met leden van het publiek en is zich over het algemeen niet precies bewust van wat dit publiek nu eigenlijk van hem of haar verwacht.”

Daarnaast wordt de Nederlandse journalist door Deuze omschreven als nauwelijks betrokken bij technologische vernieuwingen en ziet de journalist zichzelf als kritisch, sceptisch en een ambitieuze ‘duider. Als journalist is de Nederlandse journalist huiverig om de persoonlijke levenssfeer te schenden en weigeren ze om voor informatie te betalen. (2004: 171-173)

Globaal wordt de journalist door Gerard Schuijt in 1987 in zijn Werkers aan het woord omgeschreven als:
“Journalisten zijn zij, die beroepsmatig meewerken aan de samenstelling en totstandkoming van de redactionele inhoud van de nieuwsmedia, de persbureaus daaronder inbegrepen.” (Deuze 2004: 121)

De journalistiek?
Het is lastig om de journalistiek te beschrijven vanuit een gekleurd perspectief.
Volgens deze journalist is de ‘traditionele’ journalistiek die van in eerste instantie krant, radio en televisie. Deze drie media profileren zich als ‘waarheidsvertellers’, als een cultuur waarbij actualiteit en nieuwsgaring het grootste goed is. Het doel is om het nieuws te verwerken en verspreiden voordat de concurrent dat doet. Daarnaast proberen de traditionele media de waakhond van de samenleving te zijn, door hun nieuws zo waarheidsgetrouw, zonder oordeel, bij hun publiek te brengen.
Er zijn vele wereldwijde studies gedaan naar de journalistiek als sociaal systeem, maar de meeste soorten journalistiek zijn ingedeeld volgens de micro-meso-macro verdeling:
“Met op microniveau de individuele journalist, op mesoniveau de redacties en mediabedrijven en op macroniveau de maatschappelijke context van het beroep” (Deuze 2004: 110-111) De journalistiek is naar mijn mening de combinatie van deze twee bevindingen.

De online journalistiek?
Een vaste definitie van online journalistiek is moeilijk te vinden. Veel literatuur (zoals in Het Handboek Crossmediale Journalistiek en Redactie van Dasselaar en Pleijter) gaat ervan uit dat de lezer de daadwerkelijke definitie van online journalistiek al weet. In dit dilemma hebben we het over online journalistiek als er nieuws, vaak zo snel mogelijk, wordt verspreid via het World Wide Web. Dit kan via het gebruik van persoonlijke websites, blogs, via zoekmachines zoals Google of via sociale media als Facebook en Twitter.

De tijdschriftjournalistiek?
De versplintering van de tijdschriftenmarkt is groot (Deuze 2004: 116). Kijk alleen al naar de tijdschriftvakken in supermarkten of boekwinkels. Om de tijdschriftjournalistiek in te kaderen spreek ik in dit dilemma alleen over de publieksbladen: bladen die door een groot publiek worden gelezen, zoals vrouwenbladen, opiniebladen en familiebladen.
Publieksbladen zijn volgens de CAO van Publiekstijdschriften, elk tijdschrift dat:
“- geëxploiteerd wordt door verkoop op de vrije markt van bladen en/of advertentieruimte en tenminste vier keer per jaar verschijnt, terwijl de inkomsten uit losse verkoop, abonnementsgelden, advertenties en/of de bijdragen van een onderneming of groep van ondernemingen, tenminste de helft van de exploitatiekosten bedragen en;
– gericht is op een brede lezerskring van vrouwen en/of mannen, gezinnen, jongeren of kinderen, en van inhoud algemeen informatief, ontspannend en al dan niet meningvormend is;
– ofwel gericht is op een lezerskring die naar belangstelling, hobby of vrijetijdsbesteding beperkt is, en van inhoud voornamelijk informatief, instructief en al dan niet meningvormend op het gebied van die belangstelling, hobby of vrijetijdsbesteding is. Onder belangstelling is hier niet te begrijpen beroeps-/bedrijfsmatige belangstelling.” (De Groeps Publiekstijdschriften 2009: 8-9)

Hoewel het eerste Nederlandse nieuwsblad in 1652 werd gepubliceerd, ver voor het begin van radio en televisie blijft de tijdschriftjournalistiek naar mijn mening een gekke tante binnen de journalistieke familie. Waar de media krant, radio en televisie zich in eerste instantie richten op het directe nieuws en constant met elkaar in gevecht zijn over een primeur, heeft het medium tijdschrift dat minder. In publieksbladen zien we achtergrondverhalen, diepte en achterklap, áchter het directe nieuws dat meestal de andere drie media leveren.
De tijdschriftjournalistiek is dus een wekelijkse/maandelijkse publicatie over de achtergronden op het nieuws, toepasselijk gericht op de doelgroep.

De online journalistiek
van los – tot geïntegreerd medium

Nu we duidelijk hebben gesteld wat de diverse definities zijn binnen de ingekaderde vraag, gaan we bekijken wat deze definities nu precies inhouden binnen het werkveld.
Wie echter de literatuur over de journalistiek, welk soort dan ook, erop napluist loopt tegen een groot probleem aan: accuraatheid. Waar je in vele werkvelden literatuur van een aantal jaar geleden kan gebruiken, is dat bij de journalistiek lastiger, voornamelijk boeken en tijdschriften in hardcopy. Er is ontzettend veel veranderd in de journalistieke wereld, waardoor de geboden literatuur eigenlijk nooit genoeg is.

Los medium
Het Eindhovens Dagblad en NRC Handelsblad kwamen in 1995 als eerste dagbladen met een speciale interneteditie en de jaren erna werden er miljoenen geïnvesteerd in het bedenken en opzetten van speciale websites voor de journalistiek. (Deuze 2004: 59) In datzelfde jaar kwamen ook twee journalistieke tijdschriften, namelijk De Groene Amsterdammer en de Intermediar, met een website. (Dasselaar en Pleijter 2010: 2)

In 1996 speculeerde de Zweedse communicatiewetenschapper Peter Dahlgren hoe er een vijfde soort van journalistiek zou ontstaan: de online journalistiek.
Hij en een aantal andere auteurs beschreven kenmerken die uniek zijn voor de journalistiek op het internet: actualiteit, interactiviteit, hypertekstualiteit en crossmedialiteit.
Met de actualiteit bedoelde hij de snelheid van het internet, er kan onmiddellijk gepubliceerd worden. De interactie tussen journalist en hun publiek en de transparantie van de journalistiek, door het gebruik van hyperlinks, verbetert. Uiteindelijk was een ander kenmerk van de online journalistiek volgens Dahlgren de multimedialiteit, waarbij elk mediumformat kan worden gepubliceerd, in foto, film, infographic, geluid of tekst.

Het medium waarvoor de journalist werkt, is van invloed waarop de journalist denkt en werkt. Elk medium heeft dus zo zijn eigen beperkingen en mogelijkheden. Een radio-item kan online worden gezet, maar een radio-item kan niet op papier worden gezet. Dat noemen we medialogica. Zoals de heren Dasselaar en Pleijter zo mooi in hun handboek beschrijven: “Met de opkomst van het internet was een interessante vraag of de journalistiek op internet zich zou ontwikkelen tot een nieuwe vorm van journalistiek met een eigen medialogica”. (2010: 8-12)

Zou er dus een vijfde soort journalistiek ontstaan, een nieuw ‘los’ medium?

Bij het begin van mijn opleiding Journalistiek in 2007 was er nog de aparte mediumkeuze internet. Toen ik echter drie jaar later zelf de keuze mocht maken tot een mediumspecialisatie, was het internet in het onderwijs geïntegreerd met de andere media. “Voor een deel bleef de journalistiek hetzelfde; zo is er geen verschil tussen nieuwsberichten op een nieuwssite en nieuwsberichten in een krant. Maar tegelijkertijd experimenteerden redacties er rustig op los. Kranten startten videoredacties, redacteuren begonnen weblogs, verslaggevers sloegen aan het twitteren, nieuwssites gaven mensen de mogelijkheid om hun foto’s te uploaden, journalisten gingen live verslag doen van rechtszaken en rampen via CoverltLive, redacties lanceerden platforms voor burgerjournalistiek enzovoort.” (Dasselaar en Pleijter 2010: 18)
Internet is dus geen losstaand medium, maar ondertussen diep verstrengeld met de andere bestaande media. Door het verstrijken van de tijd kunnen we nu concluderen dat die ommekeer in de journalistiek niet heeft plaatsgevonden.

Verandering van de journalistiek

De technologische vernieuwingen zijn in de journalistiek altijd gedaan om het werk sneller en uitgebreider te doen (wat niet hoeft te betekenen dat het daadwerkelijk beter is). Wat begon met de drukpers, ging van de telegrafie, naar de telefoon en de faxmachine. De journalistiek ik dus qua soort werk niet veranderd, het gaat nog steeds om datgene wat wordt besproken in de nieuwsmedia, maar de manier van werken is wél veranderd. (Deuze 2004: 51)

Hoofdredacteur Digitaal van de VPRO, Erik van Heeswijk, beaamt dit in zijn boek Mediastorm. “De verhouding met het publiek is van eenrichtings- naar tweerichtingsverkeer gegaan, het publiek interacteert en het zijn zelfs ‘prosumers’ geworden; consumenten die zelf ook een bijdragen leveren aan hun product.” (2012: 65)
De doelgroep (het publiek) is dus veranderd: zij gaan anders om met het nieuws. Dit geldt daarbij voornamelijk voor de nieuwere generaties. Ook journalist Henk Hofland schreef in De Journalist dat er sprake is van een generatiebreuk. “De toekomst ligt op internet, aldus Hofland. Maar dan moeten we ons niet laten afleiden door ‘de zogenaamde burgerjournalistiek van de bloggers en hun ideologen, die denken dat iedereen die woorden enigszins begrijpelijk achter elkaar kan zetten en de wereld insturen, daarmee journalist is’.” (Blanken en Deuze 2007: 108-109)

Hans Laroes, in het voorwoord van De Toekomst van het Nieuws door Irene Costera Meijer, is ervan overtuigd dat voornamelijk jongeren zeer betrokken zijn bij grote en kleine gebeurtenissen en er op allerlei manieren informatie over willen. Echter niet meteen bij kranten. Volgens de oud-hoofdredacteur van de NOS, wankelen de instituties, want hoewel de interesse er is, weten ze (de NOS) de taal niet te spreken of de vorm te vinden.

Laroes benoemt in datzelfde voorwoord het belang van interactief werken, waarbij de gebruikers zelf de redactie zijn door mee te discussieerden over onderwerpen, door deze onderwerpen zelf te kiezen, door filmpjes en foto’s en thema’s op te sturen. “De site maakt mogelijk, schrijft niet dwingend voor”. (Costera Meijer 2006: 6-8)

Mark Deuze voegt hieraan toe:
“Daarnaast is de eigentijdse mediagebruiker per definitie actief: tenslotte surfen we over het Web, zoeken we in databases, beantwoorden we e-mail, maken en versturen we SMS-berichtjes naar televisieprogramma’s en kunnen we voortdurend selecteren uit een steeds verder uitwaaierend media-aanbod”. (2004: 69)
Als Deuze zijn boek in 2012 had geschreven had hij er vast aan toegevoegd hoe we twitteren over Wie is de Mol, onze nieuwe baas bekijken via LinkedIN, die leuke artiest opzoeken via YouTube en met de wereld delen hoe leuk we dit allemaal vinden via Facebook.
Zoals hierboven beschreven is Twitter een van de mogelijkheden om een actief mediagebruiker te zijn. Helemaal wanneer het wordt ingezet als communicatiemedium. Het is een middel om contact te leggen met de achterban. Volgens van Heeswijk kan iedere mediaprofessional hier op drie manieren een groot plezier aan beleven. Zo kan je gemakkelijk zoeken per onderwerp, is Twitter een ‘journalistieke goudmijn van ooggetuigen en deskundigen’ en je kan gemakkelijk ‘aflezen wie er invloedrijk zijn.
Een lastiger medium is Facebook. Als Facebook gebruiker kan je niet zomaar gegevens verzamelen, dit moet gebeuren met wederzijdse goedkeuring. Van Heeswijk is er van overtuigd dat mediaprofessionals drie dingen moeten doen om hun (nieuwe) publiek aan zich te binden: maak een goede content, creëer een fanpage en gebruik Facebook als je paspoort/visitekaartje. (2012: 81-88)

Wat doen de journalisten met die verandering?
We kunnen hieruit concluderen dat de online journalistiek een geïntegreerd medium in de traditionele journalistiek is. Maar wat doen journalisten met die verandering? En hoe spelen de nieuwe en oude generatie journalisten hierop in?
“Journalisten staan over het algemeen positief tegenover ontwikkelingen die hun werk vergemakkelijken (…) maar ze zijn huiverig als het erom gaat een aangeleerde werkwijze aan te passen aan allerlei nieuwe mogelijkheden. Dat heeft ook iets te maken met passie en engagement. voor veel journalisten is hun werk meer dan een broodwinning. Hun conservatisme komt vaak voort uit een linksige bevlogenheid: ze zijn gemiddeld genomen niet in het vak terechtgekomen om snel geld te verdienen, maar omdat ze iets te vertellen hebben, een mening die emancipatie moet bevorderen (welke emancipatie dan ook); of omdat ze de waarheid willen dienen (niet iemands waarheid, maar ieders waarheid).” (Blanken & Deuze 2007: 116)

Wanneer we naar de huidige journalist kijken kunnen we concluderen dat deze opmerking van Blanken en Deuze nog steeds accuraat is. Hoe de journalisten echter omgaan in de praktijk met de ontwikkelingen die het werk vergemakkelijken is een andere vraag. Blanken en Deuze benadrukken dat op de volgende manier: “De optelsom van al deze ontwikkelingen –multimedialisering, convergentie en consolidatie- betekent voor de gemiddelde journalist dat hij steeds minder ruimte heeft om creatief, kritisch, onafhankelijk en openhartig om te gaan met de veranderende wensen en interesses van een steeds complexere samenleving. Het is kortom aan de burger om tussenbeide te komen” (2007: 119)

Al deze informatie leidt tot de volgende vragen: hoe combineren we deze informatie met de tijdschriftjournalistiek vanuit een journalistiek oogpunt. In het volgende deel zal ik dit proberen uit te leggen via een persoonlijke reflectie op dit dilemma.

De combinatie van online- en tijdschriftjournalistiek, een reflectie
persoonlijke reflectie wat betreft online journalistiek en aangeleverde literatuur

In de genoemde literatuur in de hoofdstukken hiervoor zijn allerlei experts aan het woord gekomen. Ik zou echter geen journalist zijn als ik daar mijn vraagtekens niet bij zou zetten. Wanneer we kritiek leveren op ons eigen werkveld kan het namelijk alleen maar beter worden. De tijdschriftenjournalistiek zou wat mij betreft erg goed op deze vraagtekens kunnen inspringen om hun eigen werkveld te verbeteren.

Volgens deze journalist is het de taak van de journalistiek om kritisch te kijken. Niet alleen naar dat wat er buiten de journalistiek gebeurd, maar vooral naar de journalistiek zelf. Ik probeer hier de andere kant van bovengenoemde literatuur te geven. Het is dan uiteindelijk aan de lezer om zijn of haar eigen mening te vormen.

Snelle en langzame media
De twee soorten media lijken ver uit elkaar te staan. De online journalistiek is snel, crossmediaal en interactief. Zij is een nog grotere speler dan de media krant, radio en televisie, in het constante gevecht wie als eerst het nieuws brengt voor de concurrent dat doet. Tijdschrift is een ‘langzamer’ medium, met een veel lagere interactiviteits- en crossmedialiteitsgehalte. In publieksbladen zien we achtergrondverhalen, diepte en achterklap, áchter het directe nieuws dat meestal de andere drie media leveren. Natuurlijk kan hierbij een kritische noot worden geplaatst, want hierdoor lijk ik te suggereren dat tijdschrift geen scoops heeft. Dit is natuurlijk niet waar. Het medium tijdschrift gaat simpelweg anders om met primeurs. Er is meer publicabele ruimte en er is de tijd om verhalen uit te diepen in verband met wekelijkse of maandelijkse publicatie.
Dit betekent dus ook niet dat de tijdschriftjournalistiek geen waakhond van de samenleving is, dit is ze zeker, maar op een andere en intensere manier de online journalistiek.

Contactsport
‘Bladendokter’ Rob van Vuure zei het al: ‘bladenmaken is een contactsport’. (2009: 7)
Dit hebben beide soorten journalistiek overeen, want ook van Heeswijk zegt dat de online journalistiek moet worden ingezet als communicatiemiddel, door contact te leggen met de achterban (2012: 81-83). Het internet gebruiken als middel om te communiceren met de tijdschriftlezers die op de bank zitten is naar mijn inziens een prachtige combinatie van de twee media.

Ontwikkeling van de journalistiek
Volgens Dasselaar en Pleijter in Het Handboek voor Crossmediale Journalistiek en Redactie staat onder andere: “Voor een deel bleef de journalistiek hetzelfde; zo is er geen verschil tussen nieuwsberichten op een nieuwssite en nieuwsberichten in een krant.” (2010: 18)
Hier ben ik het sterk mee oneens. Een nieuwsbericht op een site moet pakkend zijn, korter en krachtiger. Ook worden er vaak bijpassende fotoreportages, links naar overeenkomstige artikelen of een korte televisiereportage bij gevoegd. Dit zie je niet bij nieuwsberichten in de krant.

Blanken en Deuze zeggen het volgende over de technologische ontwikkelingen in de journalistiek: “De optelsom van al deze ontwikkelingen -multimedialisering, convergentie en consolidatie- betekent voor de gemiddelde journalist dat hij steeds minder ruimte heeft om creatief, kritisch, onafhankelijk en openhartig om te gaan met de veranderende wensen en interesses van een steeds complexere samenleving. Het is kortom aan de burger om tussenbeide te komen” (2007: 119)
Hoewel ik het standpunt van de schrijvers snap, ben ik het niet met ze eens. Door deze multimedialisering, de convergentie (het samenkomen van bijvoorbeeld krant- en internetredacties) en de consolidatie (bijna-monopolies van mediabedrijven) wordt de journalist juist uitgedaagd door ‘out of the box’ te denken. Door uit het stramien van de traditionele journalistiek te stappen ontstaan nieuwe vormen van journalistiek, nieuwe vormen van nieuwsgaring en nieuwe vormen van de uitwerking ervan. Nieuwe vormen die bij een nieuwe, contant veranderlijke wereld passen. Journalist Tim Overdiek is zo’n journalist: hij filmt, fotografeert, spreekt, twittert, blogt en schrijft tegelijkertijd.
Doelcentrisme, noemen Dasselaar en Pleijter dit (2010: 22), waarbij de logica van de radiomaker ‘ik werk bij radio dus moet ik iets doen met geluid’, niet meer opgaat, want ook zij kunnen gebruikmaken van het internet.
Dit geldt volgens mijn inziens hetzelfde bij de tijdschriftjournalistiek. Ja het is aan de burger om tussenbeide te komen, maar de tijdschriftjournalist kan, nee moet, hier gebruik van maken.

De uitprobeerfase
Volgens Dasselaar en Pleijter is de online journalistiek een kwestie van uitproberen, investeren, leren en mislukken, en bevinden we ons nog steeds in dat stadium. Volgens hen zijn we in de uitprobeerfase. (2010: 18)
Maken journalisten, en dan voornamelijk de tijdschriftjournalisten wel voldoende gebruik van deze uitprobeerfase? Ik denk dat er bij deze kwestie een groot verschil zit tussen de oudere generatie journalisten, zij die al jaren voor de traditionele media werken en de jongere generatie journalisten, zij die net het veld ingaan als journalist maar al wel hun hele leven gebruik maken van alle vormen die de online journalistiek biedt.
Dit is een verandering van het publiek, zoals Laroes al eerder in dit dilemma uitlegde. De tijdschriftjournalistiek moet hierop inspringen. Dit betekent echter niet dat zij hun concepten moeten omgooien. Meegroeien moeten zij echter wel. Het interactieve gebruik van Facebook en Twitter zijn daar slechts de eerste stappen van.

Ook Erik van Heeswijk gaat hierop door, zoals ik al eerder beschreef. “De verhouding met het publiek is van eenrichtings- naar tweerichtingsverkeer gegaan, het publiek interacteert en het zijn zelfs ‘prosumers’ geworden; consumenten die zelf ook een bijdragen leveren aan hun product.”
Zoals hij echter ook zegt: de journalistiek was nooit die ivoren toren, ook vroeger belde mensen naar de radioshows. (2012: 65) De interactie is, zoals van Heeswijk zegt, echter prominenter aanwezig. Wanneer de tijdschriftjournalistiek deze interactie integreert in het dagelijks bladenmaken, zal de online journalistiek langzaamaan ook hier integreren.

Hoewel ik het eens ben met het standpunt van Hofland in het boek van Blanken en Deuze dat de toekomst bij het internet ligt, ben ik het over zijn burgerjournalistieke standpunt oneens. (2007: 108-109) Dit klinkt misschien apart, want als iedereen zich journalist noemt, dat blijft er geen werk meer voor ons over. Wat mij betreft is er juist werk te veel. Wanneer je publiek, je doelgroep zich ergens druk over maakt en de moeite neemt om dit te delen, of dit nu via een blog of de sociale media is, is het aan de journalist de taak om juist daarop in te spelen. Laat een burgerjournalist maar een column voor in je tijdschrift maken, luister naar wat hij of zij heeft te zeggen en wie weet kan je er als journalist een creatieve invalshoek voor bedenken. Door juist te luisteren naar deze burgerjournalist breng je de online- en de tijdschriftenjournalistiek dichterbij elkaar.

Conclusie

Nu we alle informatie hebben bestudeerd volgt het antwoord op de vraag: hoe kan de tijdschriftjournalistiek inspelen op de online journalistiek?
In 1996 speculeerde de Zweedse communicatiewetenschapper Peter Dahlgren hoe er een vijfde soort van journalistiek zou ontstaan: de online journalistiek.
Zoals de heren Dasselaar en Pleijter in hun handboek beschrijven: “Met de opkomst van het internet was een interessante vraag of de journalistiek op internet zich zou ontwikkelen tot een nieuwe vorm van journalistiek met een eigen medialogica”. (2010: 8-12) We zijn erachter gekomen dat dit niet gebeurde. De online journalistiek integreerde zich met de al bestaande media. “Voor een deel bleef de journalistiek hetzelfde.(…) Maar tegelijkertijd experimenteerden redacties er rustig op los. (Dasselaar en Pleijter 2010: 18)

Het blijkt dat de journalistiek qua soort werk niet is veranderd, het gaat nog steeds om datgene wat wordt besproken in de nieuwsmedia, maar de manier van werken is wél veranderd. (Deuze 2004: 51)”Door deze integratie van de online journalistiek is ook de doelgroep (het publiek) veranderd: zij gaan anders om met het nieuws. Dit geldt daarbij voornamelijk voor de jongere generaties.
De manier van journalistiek werken is veranderd want de huidige mediagebruiker is actief: ze surfen het web, zoeken in databases, beantwoorden e-mail, twitteren we over Wie is de Mol, bekijken we onze nieuwe baas via LinkedIN, zoeken we die nieuwe artiest op via YouTube en delen we met de wereld hoe leuk we dit vinden via Facebook. We kunnen constant selecteren uit een steeds verder uitwaaierend media-aanbod. (Deuze 2004: 69)
Hoewel de journalist over het algemeen positief is over deze ontwikkelingen om hun werk te vergemakkelijken, zijn ze wat huiverig met de aanpassing aan nieuwe mogelijkheden. (Blanken & Deuze 2007: 116)

Als we dit allemaal weten, hoe kan de tijdschriftjournalistiek dan inspelen op de online journalistiek ondanks deze huivering?

Volgens Rob van Vuure is ‘bladenmaken een contactsport’. (2009: 7) Dit hebben beide soorten journalistiek overeen, want ook van Heeswijk zegt dat de online journalistiek moet worden ingezet als communicatiemiddel. (2012: 81-83)
Deze communicatiemiddelen moeten mijn mening moet worden gecombineerd, want door de multimedialisering, de convergentie (het samenkomen van bijvoorbeeld krant- en internetredacties) en de consolidatie (bijna-monopolies van mediabedrijven) (Blanken en Deuze 2007: 119) wordt de journalist juist uitgedaagd door ‘out of the box’ te denken. Door uit het stramien van de traditionele journalistiek te stappen ontstaan nieuwe vormen van journalistiek, nieuwe vormen van nieuwsgaring en nieuwe vormen van de uitwerking ervan. Nieuwe vormen die bij een nieuwe, contant veranderlijke wereld passen.

Volgens Dasselaar en Pleijter (2010: 18) zitten we nog in de uitprobeerfase van deze combinatie tussen de online journalistiek en andere soorten journalistiek. Het is dus van belang dat journalisten blijven proberen, blijven investeren en de mogelijkheden van de tijdschriftjournalistiek en de online journalistiek blijven ontdekken om uiteindelijk beide soorten journalistiek zo goed mogelijk te laten functioneren. Met en naast elkaar.

Bibliografie

Blanken, Henk en Deuze, Mark
2007. PopUp: De botsing tussen oude en nieuwe media. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas

Costera Meijer, Irene
Adolfsson, Robert en Vossen, Marjolein van.
2006. De toekomst van het nieuws: Hoe kunnen journalisten en programmamakers tegemoetkomen aan de wensen en verlangens van tieners en twintigers op het gebied van onafhankelijke en pluriforme informatievoorziening? Amsterdam: Otto Cramwinckel Uitgever

Dasselaar, Arjan en Pleijter, Alexander
2010. Handboek Crossmediale Journalistiek en Redactie. Culemborg: van Duuren Media.

De Groep Publiekstijdschriften
in samenwerking met De Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ)
2009 Collectieve Arbeidsovereenkomst voor publiekstijdschriftjournalisten: 1 juli 2009 – 31 maart 2011. Elektronisch document: http://files.flexnieuws.nl/wp-uploads/2011/11/CAO-Publiekstijdschriftjournalisten-2009-2011.pdf , laatst bekeken op 17 januari 2013

Deuze, Mark
2004. Wat is journalistiek? Amsterdam: het Spinhuis.

Heeswijk, Erik van
2012. Mediastorm. Den Haag: Boom Lemma uitgevers

Vuure, Rob van
2009. Het Lingeriedenken: creatief bladenmaken, succesvol communiceren. Amsterdam: AMBO

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s